Clever car leasing...

De CarMedia online

Home›  Nieuws  »  Auto & Fiscus

Auto & Fiscus

Als berijder van een leaseauto heeft u te maken met een aantal fiscale regels.  De Belastingdienst ziet een leaseauto als inkomen. De regels rondom bijtelling en privégebruik van de leaseauto zijn aan verandering onderhevig. Daarom hebben we op deze website alle regels voor u overzichtelijk onder elkaar gezet. Bekijk de PDF download hieronder voor de laatste wijzigingen in het Belastingplan 2010. Meer informatie vindt u ook op de website van de belastingdienst onder Auto van de Zaak.

Download

Berekeningsmethode voor bepaling inkoopwaarde BPM gepubliceerd

Datum: 17-03-2010

Op basis van een arrest van de Hoge Raad wordt de BPM bij invoer thans bepaald op basis van de inkoopprijs van de auto. In de Wet BPM was per 1 januari 2010 al opgenomen dat daarvoor nadere uitvoeringsregels gemaakt zouden kunnen worden. Die berekeningsmethode is in het op 17 maart 2010 gepubliceerde Besluit van 10 maart 2010 opgenomen.

Voorheen was de afschrijving het procentuele verschil tussen de consumentenprijs (de catalogusprijs vermeerderd met de BPM zelf) en de verkoopwaarde op het moment van de BPM-heffing. Nu de Hoge Raad in juli 2009 heeft bepaald dat dit niet meer is toegestaan, wordt voor de berekening van de BPM bij invoer uitgegaan van de inkoopwaarde in Nederland op het tijdstip waarop de auto voor het eerst in gebruik is genomen.

In de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 wordt nu een herleiding van de consumentenprijs naar de inkoopwaarde opgenomen. Die herleiding vindt als volgt plaats: “De inkoopwaarde in Nederland, bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de wet, kan worden vastgesteld door de som van de catalogusprijs, bedoeld in artikel 9, vierde lid, van de wet, en de belasting op het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen te verminderen met € 500 en vervolgens te vermenigvuldigen met 0,88”.

Zo’n herrekeningsmethode is van belang omdat de inkoopwaarde vaak niet bekend is. De berekening kent een deel dat onafhankelijk is van de catalogusprijs (vermindering van de som van de catalogusprijs en de belasting met € 500) en een procentueel deel (vermenigvuldiging van het resultaat met 0,88). Deze methode doet volgens het Ministerie van Financiën recht aan het waardeverschil in de praktijk, “waar het verschil tussen verkoop- en inkoopwaarde feitelijk ook een vast en een variabel deel kent. Een vergelijking tussen modellen in diverse prijsklassen, van verschillende fabrikanten, in verschillende koerslijsten laat zien dat een vaste vermindering van € 500, in combinatie met een verlaging met 12% van de aldus verminderde catalogusprijs inclusief de belasting, over het algemeen leidt tot een realistische inkoopwaarde”.
In de praktijk werd deze berekeningsmethode dan ook al vanaf 1 januari 2010 door de Belastingdienst geaccepteerd.

27 procent accijnsverlaging op E85

Datum: 12-03-2010

De Staatscourant van 12 maart 2010 bevat de nieuwe regeling voor de accijnsverlaging op E85.

De regeling voorziet in een gedeeltelijke teruggaaf van accijns voor duurzaam geproduceerde E85, een mengsel bestaande uit bio-ethanol (ethanol uit biomassa) en benzine. Met die teruggaaf wordt recht gedaan aan het verschil in energiewaarde met benzine. Voor E85 is nu nog het accijnstarief van ongelode benzine verschuldigd, terwijl de energiewaarde van E85 ten opzichte van benzine gemiddeld 27% lager is. Daarom wordt onder bepaalde voorwaarden een teruggaaf van accijns verleend ter grootte van 27% van het accijnstarief van ongelode lichte olie (benzine). Rijden op E85 vermindert overigens de CO2-uitstoot ten opzichte van benzine met ongeveer 45%, zie ook www.fuelswitch.nl met daarop ook de locaties van tankstations met E85.

Qua voorwaarden worden onder meer eisen gesteld aan de administratie van de leveranciers van E85. Zij zijn ook degenen die het verzoek om accijnsteruggaaf moeten indienen. Uit hun administratie moet bijvoorbeeld blijken dat de bio-ethanol voldoet aan eisen van duurzaamheid zoals vastgelegd in normen voor duurzaam geproduceerde biomassa voor energietoepassingen. Verder moet de duurzaam geproduceerde E85 zijn afgeleverd als motorbrandstof voor het wegverkeer om in aanmerking te komen voor de gedeeltelijke teruggaaf van accijns.

De accijnsverlaging gaat in op 1 april 2010.


Geen forfaitaire bijtelling voor bestelauto met twee stoelen

Datum: 10-03-2010

Door nieuwe uitspraken van belastingrechters komt er steeds meer duidelijkheid over de regeling op grond waarvan sommige bestelauto’s zijn uitgezonderd van het vaste bijtellingspercentage. Het gaat daarbij om bestelauto’s die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend zijn geschikt voor goederenvervoer.

Bij het tot stand komen van deze uitzondering is met name gedacht aan bestelauto’s met slechts één stoel. In mei 2009 besliste de Hoge Raad al dat een grote bestelauto van een bloemist, voorzien van specifieke inrichting en met meerdere zitplaatsen, in aanmerking kwam voor deze uitzondering. Ook is er een uitspraak over een grote bestelauto (verlengd en verhoogd, zodat deze niet op normale parkeerplaatsen en in parkeergarages past) van een vloerbedekkinglegger. Ook in die situatie gold het vaste bijtellingspercentage niet, ook al had de auto twee zitplaatsen.

Inmiddels begint er ook jurisprudentie te komen over kleinere bestelauto’s. Er loopt nog een verwijzingszaak over de auto van een stukadoor en recent heeft Gerechtshof Amsterdam zich uitgesproken over een Renault Kangoo met twee zitplaatsen. Deze viel ook onder de uitzonderingsregeling, omdat de auto als gevolg van het gebruik voor schilders- en schuurwerkzaamheden “erg vies is en stinkt” en omdat de auto in de laadruimte is voorzien van een kunststof bak die alleen door een garagebedrijf verwijderd kan worden. Het Gerechtshof was in deze zaak sowieso erg soepel: Het Hof overweegt dat ook als de auto niet onder de uitzondering zou vallen, er toch geen ruimte was voor bijtelling omdat belanghebbende overtuigend heeft aangetoond dat hij niet privé met de auto heeft gereden. Deze ondernemer had aangevoerd dat hij in privé over twee auto’s beschikt en had over de periode ná het boekenonderzoek een sluitende kilometeradministratie van de Renault Kangoo bijgehouden.

Intussen ontstaat uit de rechtspraak het beeld dat de uitzondering voor specifieke bestelauto’s ruimer toepasbaar is dan alleen voor grote bestelauto’s of bestelauto’s met slechts één stoel. Wel is dan vereist dat de tweede stoel noodzakelijk is voor een bijrijder voor hulp bij laden en lossen of dat de bestelauto is voorzien van specifieke inrichting c.q. wordt gebruikt voor specifieke doeleinden.

 

Kamervragen over de BPM-teruggaaf bij trouwvervoer

Datum: 09-03-2010

Voor taxibedrijven geldt onder voorwaarden een BPM-teruggaaf. Minister De Jager van Financiën heeft kamervragen beantwoord over de reikwijdte daarvan. Gevraagd werd naar de mogelijkheid om ook trouwvervoer met limousines ook onder deze vrijstelling te brengen.

Belangrijke voorwaarde voor de BPM-teruggaaf is dat het taxivervoer jaarlijks minimaal 90% betreft. De vraag betrof onder meer de situatie dat sommige zogenaamde stretchlimousineverhuurders er tegenaan lopen dat zij – in verband met de hantering van de 90% regeling – geen BPM kunnen terugvorderen, omdat trouwvervoer en promotionele kilometers tot de 10% gerekend worden. Aan de minister werd gevraagd of hij de mening deelde dat dit niets te maken heeft met de oorspronkelijke bedoeling van de 10%-regeling: het voorkomen van het rijden van te veel privékilometers met een taxi?

De minister deelt deze mening niet. Hij antwoordt dat het uitgangspunt bij de teruggaaf van BPM en de vrijstelling van motorrijtuigenbelasting het openbare karakter van het vervoer is. Deze regelingen gelden daarom niet voor personenauto’s die meer dan bijkomstig worden gebruikt voor ander vervoer. Beoogd wordt om deze fiscale faciliteiten uitsluitend te verlenen voor personenauto’s die geheel of nagenoeg geheel voor openbaar vervoer of taxivervoer worden ingezet. Daarvan is geen sprake bij trouwvervoer, waarbij feitelijk een auto met bestuurder wordt gehuurd. Voor dit vervoer geldt, anders dan voor openbaar vervoer en taxivervoer, geen vergunningsplicht ingevolge de Wet personenvervoer 2000. De fiscale regelingen sluiten hierbij aan.

Trouwvervoer kan worden verricht door zowel vervoerders met als zonder een vergunning ingevolge de Wet personenvervoer 2000. Als voor een taxi teruggaaf van BPM en vrijstelling van motorrijtuigenbelasting is verleend, telt eventueel trouwvervoer met die taxi niet mee voor de 90% taxivervoer. Dat geldt ook voor eventuele promotionele kilometers. Het maakt daarbij geen verschil of al dan niet sprake is van een stretchlimousine. Wanneer voor zo’n personenauto het overige vervoer, zoals privéritten, trouwvervoer of promotionele ritten, in één of meer van de eerste drie jaren na de teruggaaf meer blijkt te bedragen dan 10%, wordt het teruggegeven BPM-bedrag per jaar voor telkens een derde deel weer als belasting verschuldigd. Ook de motorrijtuigenbelasting waarvan over de desbetreffende periode vrijstelling is verleend wordt dan alsnog verschuldigd.

 

Wet Kilometerprijs controversieel verklaard

Datum: 04-03-2010

De Tweede Kamer legt de parlementaire behandeling van de Wet Kilometerprijs stil. Het onderwerp is op 4 maart 2010 door de Tweede Kamer controversieel verklaard.

Een niet onaanzienlijke minderheid van de Tweede Kamer is tegen invoering van de kilometerprijs. Dat is voor de andere partijen reden om in te stemmen met het benoemen van dit onderwerp als "controversieel onderwerp". Ondanks kritische geluiden van de kant van bijvoorbeeld De Telegraaf en de ANWB heeft invoering van de kilometerprijs naast de meerderheid van de Tweede Kamerfracties ook nog steeds steun van belangrijke organisaties als de werkgeversorganisaties en de autosector, omdat de kilometerprijs leidt tot positieve gevolgen voor het milieu en de doorstroming en daarnaast leidt tot een systeem waarbij er eerlijker heffing plaatsvindt, namelijk op basis van het gebruik van de auto in plaats van de aanschaf van de auto. Critici wijzen op de kosten en mogelijke storingsgevoeligheid van het systeem en op privacy-aspecten. De invoering van de kilometerprijs wordt naar verwachting dan ook een belangrijk onderwerp tijdens de aanstaande verkiezingen.

 

Extra investeringsaftrek voor elektrische auto

Datum: 25-02-2010

Minister van Financiën Jan Kees de Jager voert met terugwerkende kracht tot 1 januari 2010 een extra investeringsaftrek op aanschaf van elektrische auto's in door deze onder de milieu-investeringsaftrek (MIA) te brengen.

De Jager zegt in een persbericht van zijn Ministerie: “Dit besluit past in het streven om elektrisch rijden te stimuleren. Nederland moet hierbij internationaal vooroplopen. Door de extra fiscale tegemoetkoming voor elektrische auto’s wordt het voor bedrijven aantrekkelijker om te investeren. In 2010 zullen naar schatting al meer dan duizend auto’s worden aangeschaft en ik heb hoge verwachtingen voor de toekomst”.

De exacte hoogte van dit aftrekpercentage moet nog nader blijken uit de nog te publiceren wijziging van deze regeling, maar de kosten van de maatregelen voor de Rijksbegroting worden voor 2010 geraamd op EUR 2,5 miljoen. Dit bedrag gaat van het totale voor MIA beschikbare bedrag af.

Vragen aan het Europese Hof over de teruggaafregeling BPM

Datum: 24-02-2010

Bij de Rechtbank Breda loopt een procedure over de Europeesrechtelijke houdbaarheid van de in 2007 gewijzigde BPM-wetgeving. In die zaak zijn nu vragen voorgelegd aan het Europese Hof van Justitie. Het gaat daarbij om de vraag of de huidige Nederlandse regeling (die voorziet in volledige heffing van BPM bij aanvang van het Nederlandse weggebruik, gevolgd door een BPM-teruggaaf bij het einde van het Nederlandse weggebruik) wel in overeenstemming is met het EG-Verdrag.
Concreet gaat het om een Duitse leasemaatschappij die een auto least aan een B.V. die gevestigd is in Nederland. De leasemaatschappij heeft de volgens de wet verschuldigde BPM voldaan en bezwaar gemaakt tegen de voldoening op aangifte.
Heel belangrijk in deze zaak is dat het tussen partijen vaststaat “dat de auto niet is bestemd voor duurzaam gebruik in Nederland”. Rechtbank Breda oordeelde namelijk op 2 september vorig jaar al over deze nieuwe BPM-wetgeving in een situatie waarin het wel ging om duurzaam gebruik. De Rechtbank kwam toen tot de conclusie dat de huidige wetgeving waarbij bij aanvang van het weggebruik volledige BPM-heffing plaatsvindt, gevolgd door teruggaaf bij latere beëindiging van het Nederlandse weggebruik, wel in overeenstemming is het met Europese verdrag. Voor niet-duurzaam gebruik (blijkens eerdere uitlatingen van de wetgever is daarvan sprake bij een duur van maximaal drie jaar) is de Europeesrechtelijke houdbaarheid van de nieuwe regels echter een stuk minder duidelijk.
De rechtbank acht de omstandigheid dat buitenlandse verhuurders van auto's ook bij tijdelijke verhuur aan een inwoner van Nederland direct het volledige bedrag aan BPM verschuldigd worden “onmiskenbaar onaantrekkelijk voor deze verhuurders zodat sprake is van een belemmering van het vrij verkeer van diensten”. De rechtbank acht het verder twijfelachtig of de rechtvaardiging voor het invoeren van de huidige regeling, het gelijk behandelen van in Nederland gevestigde autoverhuurbedrijven, een voldoende rechtvaardigingsgrond is voor deze belemmering. Nu dit ook niet valt uit te sluiten, stelt de rechtbank zogenaamde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. Pas als het oordeel van dat Europese gerechtshof is verkregen, zal de Nederlandse rechter de procedure voortzetten.
De kans dat de Europese rechters de nieuwe regeling níet EU-proof zullen vinden, is overigens vrij groot. Eerder oordeelden zij al in de spraakmakende zaak “Van de Coevering” dat de Europese regels zich verzetten tegen een heffing bij de aanvang van het gebruik van de auto als daarbij geen rekening wordt gehouden “met de duur van het gebruik van dat wegennet en zonder dat de betrokkene aanspraak kan maken op vrijstelling of teruggaaf, wanneer de auto niet is bestemd voor duurzaam gebruik in eerstgenoemde lidstaat en daar ook niet feitelijk duurzaam wordt gebruikt.” Ook in de zogenaamde “Ilhan-zaak” uit 2008 oordeelde het Hof dat het Europese recht zich verzet
tegen een regeling “ krachtens welke een in een lidstaat woonachtige of gevestigde persoon die een in een andere lidstaat geregistreerde en gehuurde auto hoofdzakelijk in eerstgenoemde lidstaat gebruikt, verplicht is om ter zake van de aanvang van het gebruik met dit voertuig van de weg van eerstbedoelde lidstaat een belasting te betalen waarvan het bedrag wordt berekend zonder rekening te houden met de duur van de huurovereenkomst van het betrokken voertuig of met het gebruik met dit voertuig van voornoemd wegennet”.
In de media zijn naar aanleiding van deze door de Rechtbank Breda gestelde prejudiciële vragen reeds berichten verschenen waarin geconcludeerd wordt dat dit mogelijk het einde betekent van de teruggaaf bij export. Dat lijkt voorlopig echter een veel te voorbarige conclusie. Waarschijnlijker lijkt het dat naast de teruggaaf bij export een nieuwe regeling ingevoerd zal moeten worden voor kortdurend binnenlands weggebruik met een auto met buitenlands kenteken, waarbij dan tijdsevenredig BPM wordt geheven.
Beantwoording van de vragen door het Europese Hof van Justitie zal even op zich laten wachten. Tot die tijd is de procedure bij de Rechtbank Breda geschorst. Wij houden u van het verdere verloop op de hoogte.

 

Eigen bijdrage voor privégebruik?

Datum: 11-02-2010

Eigen bijdragen die de werknemer aan de werkgever betaalt voor privégebruik van de auto van de zaak zijn aftrekbaar van de bijtelling. Soms is echter de vraag of er wel sprake is van een bijdrage voor privégebruik.

Bij de rechter speelde recent een zaak waarbij een directeur via zijn eigen B.V. een auto leaste met een catalogusprijs van rond de 48.000 euro en gedurende twee jaren jaarlijks bijna 10.000 euro aan eigen bijdragen betaalde aan de B.V. Uit een strafrechtelijk boekenonderzoek door de FIOD bleek dat er sprake was van auto’s waarbij gedurende een korte looptijd maandelijks een hoge leasetermijn werd betaald. Die leasetermijnen waren grotendeels bedoeld om zeer snel op de auto af te schrijven, waarna de werknemer de auto kon overnemen tegen de lage gecalculeerde restwaarde. Deze auto werd dan ook na 28 maanden overgenomen voor bijna € 5.000 terwijl de handelswaarde rond de € 20.000 lag. De bedenker van deze methode gaf zelf in dit onderzoek aan dat “de werknemer al die tijd betaald heeft om die restwaarde van de auto te laten zakken. Hij heeft eigenlijk de auto al voor een groot deel betaald”. Het wekt dan ook geen verbazing dat de rechter van oordeel is dat de vergoeding die deze berijder aan de B.V. betaalde niet kan worden aangemerkt als bijdrage “voor privégebruik”.

Bovenstaande casus was wel een heel bijzondere. In zijn algemeenheid geldt echter wel dat het van groot belang is om goed vast te leggen dat de door de werknemer betaalde bijdrage wordt ingehouden “voor privégebruik”. Bijvoorbeeld bij het in de eigen bijdrage verwerken van de inhouding voor gedeclareerde brandstofkosten voor vakantieritten of het in de eigen bijdrage meenemen van een vergoeding van een leasenormoverschrijding door de werknemer.

 


Leaseofferte aanvragen Afspraak maken
Martin Baan

New Business
T. (0347) 323 951
E. m.baan@arm-autoleasing.com


Contact| Sitemap| Disclaimer| Vacatures